Waaknaald…

Ze staat ineens naast me, de zuster van de zaal. Wat spulletjes in de hand. ‘Ik kom het naaldje verwijderen’. Ik schrik er niet van, ik blijf voorzichtig denken dat het misschien toch gaat lukken dit keer. ‘U mag dinsdag naar huis als alles goed blijft gaan’.

Ik kijk naar mijn arm, weg waaknaaldje. Weer een stapje dichterbij het avontuur dat thuis verder zal gaan. Van de relatief veilige omgeving met alle hulp voor handen naar een eigen omgeving waar ik me veilig voel, maar waar de zorg op ons zelf terecht komt.

‘Komt goed’, zeg ik tegen mezelf. ‘Komt goed, schatje’, zeg ik tegen Gert. Ik denk te kunnen verzinnen wat hij ervan denkt. En later lees ik het ook wel want hij brengt al mijn vrienden via de digitale weg op de hoogte van het aanstaande ontslag in het ziekenhuis. Zijn zorg is mijn zorg en andersom maar ik weet heel zeker dat ze me niet laten gaan als het niet kan.

We liggen al een hele week met vier personen op zaal, twee jonge kerels, een wat oudere dame en ik. Allemaal op de zelfde dag geopereerd en samen aan het herstel begonnen met alle tranen en verhalen erbij. We willen elkaar nooit meer tegenkomen in het ziekenhuis en ook nooit vergeten. We maken een tijd mee die zo op de huid zit, die impact heeft voor langere tijd. We hebben het goed. Maken grapjes, zijn stil, vertellen onze gevoelens aan elkaar. Waarom we heerlijk de kop in het zand kunnen steken en waar we onzelf tegenkomen. We noemen elkaar bij naam terwijl we geen van allen aan elkaar zijn voorgesteld. Hennie mag ook naar huis. Ook vandaag.

Gisteravond had hij het gevoel dat hij de avond voor het schoolreisje stond. Dat zijn vrouw een bakje komkommer zou meenemen als de volgende dag aan zou breken. ‘Ik ben onrustig’. ‘Doe het niet, zei ik, straks ga je niet naar huis omdat het te onrustig is in je lijf.’ Zijn temperatuur ging omhoog.

Vanmorgen was het zover, ik tel de uren af. Vanaf vier uur ben ik wakker. Pijn in het lijf, geen wondpijn maar spierpijn. In de nek, de schouder, de arm. Ik lig niet lekker. Slaap niet lekker in het ziekenhuis. Maar ik ga naar huis, de waaknaald is weg, het enige wat er nog zit zijn hechtingen en blauwe plekken, overal.

Ik ga naar huis.

Ineens voel ik dat mijn hartslag weer onregelmatig wordt. ‘Dat gaat niet goed, waarom.’ Ik geef het door. Luisteren naar de hartslag, het bed wiebelt. Een hartfilmpje wordt gemaakt. Ik krijg pillen, eet het ontbijt, drink een kopje thee. Dan krijg ik weer een ‘waakkastje’ om. Plakkers met draden op mijn lijf. Alles willen ze registreren. ‘We gaan nog een echo maken van het hart om te kijken hoe het eruit ziet.’

‘Houdt er rekening mee dat je niet naar huis gaat’. Ik kreeg het te horen maar had me er al bij neergelegd. Misschien morgen…

Morgen, morgen gaan ze bespreken wat ze gaan doen. Ingrijpen of inregelen. Medicijnen of opereren. Morgen. Morgen is mijn thoraxchirurg degene die de doorslag gaat geven. Alle waarden zijn goed. Ik herstel. Ik ga naar huis, zonder waaknaaldje maar mischien krijg ik er eerst nog eentje terug. In het ziekenhuis in Zwolle.

Ze houden nu de wacht, zonder waaknaald.

Keek op de week

Schreef ik onlangs nog dat ze hier binnenkort zelf weer zou schrijven, dat was misschien toch even iets te enthousiast. Daarom nog maar een keer mijn stand-in rol opgepakt om jullie op de hoogte te brengen van de voortgang, de terugslag en het opnieuw naar boven klauteren uit het dal na dit zwaar lichamelijk ongemak.
Zoals al gemeld ging het de dag na de operatie ver boven verwachting. De 3 overige patiënten op de zaal waar ze lag hadden het nakijken. Een soort Max Verstappen maar dan in een totaal ander segment. Maar om mij heen hoorde ik al de waarschuwingen; “let op Gert, meestal komt er wel een terugslag na zo’n operatie, hou daar maar rekening mee”. Ik zag uiteraard alleen maar wat ik wilde zien. Dag 2 na de operatie ging ook nog wel maar de vochthuishouding was niet helemaal op orde, dag 3 was ze oververmoeid omdat ze heel slecht had geslapen en op dag 4 kwam ‘s morgens in alle vroegte de reeds voorspelde man met de hamer voorbij. Nare berichten op mijn telefoon, maar toen ik bij haar was zag ik pas echt hoe verschrikkelijk ziek ze was…
Tijdens het bezoekuur, wat overigens veel meer dan een uur is, maar dat terzijde, kwam gelukkig de arts voorbij en zijn woorden, in combinatie met de woorden van iemand die ik al heel lang ken en die ook alles van harten weet, stelden mij gerust. “Niets verontrustends, u houdt nog te veel vocht vast, dat veroorzaakt uw narigheid, we passen uw medicatie aan en kijken hoe het gaat”. Nou, toen ging het… Tijdens het avondbezoek kwamen langzaam de babbels terug en zag ik haar zelfs weer een paar keer glimlachen. De volgende morgen (gisteren) stuurde ze een foto waarop duidelijk weer een kleurtje op haar gezicht te zien was en een brede lach. Overdag ging het ook een stuk beter en steeds meer bekroop mij het gevoel dat het tij nu echt gekeerd was.
Vanmorgen was het weer “testdag”. Bloedprikken, longfoto’s en alles wat nodig is om te controleren of alle functies weer operationeel zijn zoals het hoort.
Om 5 over 10 vanmorgen deed ze een poging mij te bereiken via WhatsApp maar ik was even heel druk bezig met mijn huishouden en lette niet zo goed op… Dus na een half uur lang wonderlijke woorden typen in mijn WhatsApp, zonder een reactie te krijgen besloot ze me te bellen. Ik pak mijn telefoon op en hoor; “Lieffie ik kom dinsdag thuis”. Ik denk thuis, “je bedoelt het ziekenhuis in Hoogeveen?”. “Nee, gewoon thuis, want alles gaat nu goed, er is hulp thuis de hele dag, dat is net zo goed of zelfs, beter dan nog een paar dagen in het ziekenhuis in Hoogeveen rondhangen tot ik naar huis mag”. Ik hoor dat ze heel blij is. Dat betekent dat ze eraan toe is en ze er weer vertrouwen in heeft. Dat zet gelijk een rem op dat “is dat niet erg vlug” en “komt dat wel goed” stemmetje in mijn achterhoofd. Als zij er klaar voor is, dan is ze er ook klaar voor, ik ken haar lang genoeg (lees 41 jaar) om dat te weten. We gaan er voor!
Mijn rol als Facebook stand-in was gelukkig maar van korte duur, binnenkort schrijft ze hier zelf weer!

IMG_0732

Allemaal ontzettend bedankt namens ons beiden voor alle steun, aandacht, lieve woorden, kaartjes, kaarsjes, liefde en wensen. Jullie hebben haar, en ook mij, door deze moeilijke weken gesleept.

Zij is er even niet…

Vandaag is zij er even niet en heeft ze mij gevraagd om haar waar te nemen. In dit bijzondere geval doe ik dat graag. Zoals jullie inmiddels wel weten was het vandaag de dag dat ze over die berg moest, waar ze al een tijdje tegenaan liep te hikken. Vanmorgen was het zo ver, zo ineens en vroeger dan gepland. Voor ik het in de gaten had kreeg ze een pilletje en nog geen kwartier later lag ze al in een diepe slaap. Kort daarna vertrok ze naar de operatiekamer en ging ik terug naar huis. Minstens 4 tot 5 uur hadden ze nodig werd mij gezegd. Iedere 2 uur kreeg ik een update van de voortgang en als hekkensluiter belde de chirurg zelf. Alles was goed verlopen, het kwam allemaal goed. Ik kreeg toestemming om tussen 19:00 en 20:00 uur op bezoek te komen. Waarschijnlijk werd ze rond die tijd wel wakker.
Ik was op tijd maar zij sliep nog als Doornroosje. Nog aan de beademing en kilometers slangen, kabeltjes, kraantjes, pompjes en een complete lichtshow. Als ik wat zei knikte ze flauwtjes maar daar bleef het bij. Na 20 minuten kreeg ik het advies naar huis te gaan en later op de avond nog eens te bellen hoe het ging. Onderweg naar huis moest ik constateren dat het niet helemaal aan mijn verwachting voldeed. Maar goed, het was niet zomaar wat, en alles ging tenslotte verder goed, het had dus gewoon wat meer tijd nodig hield ik mijzelf voor
Zit ik vanavond familie en vrienden in te lichten, gaat de telefoon. Goedenavond, niet schrikken, uw vrouw wil u graag even spreken, hier komt ze…. “Dag Lieffie, ik heb je gemist”. Ik val bijna van mijn stoel maar herpak me razendsnel. Ze is er weer! Dit keer aan de goede kant van de berg, zonder beademing en ze drinkt een kopje thee. Oh ja zegt ze ook nog, “dikke kus voor al mijn schatten en iedereen,”.
Binnenkort is ze hier zelf weer. Bedankt voor al jullie steun en lieve woorden, dat heeft zeker geholpen haar over die berg te duwen.

Lieffie.

Ik kan niet kiezen.

‘Mag ik me even voorstellen, ik ben Hans’. De sfeer zit er direct goed in. Hij heet Hans, ik heet Grietje en zo begint de reis naar Zwolle als in een sprookje. Het is echt geen sprookje. Helemaal niet zelfs. Liggend op de brancard in de ambulance zie ik Hoogeveen verdwijnen. ‘Tot straks’, denk ik, ‘of misschien ook niet’, denk ik erachteraan. Het kan alle kanten uit, alleen niet naar huis. Daarvoor is het te ernstig. Ik heb me er bij neergelegd. Wat moet dat moet en als het moet dan wil ik moed houden en niet constant denken ‘Was ik maar thuis’. Dan, ja dan word ik verdrietig. Ik mis mijn thuis, mijn dagelijkse dingen, mijn loopje in de tuin, mijn alles.

Ik zit bij Hans in de ambulance en Paul zit achter het stuur. Ik laat me rijden. Hans leest de papieren en stelt ondertussen de vragen. Wat willen ze toch onwijs veel van me weten. Elke dag opnieuw. Ik maak een foto als we om de hoek rijden. Mijn voeten worden heel warm onder de dubbele deken en ik wurm ze daaronder vandaan. De zon schijnt niet, het waait heel hard en Hans geeft antwoorden op mijn vragen. Hij heeft veel ervaring en geeft uitleg. Over het hart, reanimeren, protocollen en levenservaring. Hij geeft me meer informatie dan een cardioloog in de afgelopen jaren heeft gedaan. Die ziet alleen een hart. Hans ziet een Grietje, een vrouw, moeder, dochter, zus, vriendin van velen. Een blij en opgewekt mens met een probleem in de motor. Hij is dat halve uur mijn Hans. We nemen afscheid naast mijn nieuwe bed,

ik ga zitten, wacht af. Krijg weer vragen, een nieuw infuus waar ze 6 keer voor moeten prikken. De O.K. kleding ligt klaar. Ik ben een uur te vroeg in Zwolle dus ik wacht een uur langer. Ondertussen knoop ik wat gesprekken aan. Gaat er eentje compleet over de rooie. *stress. Er wordt iemand opgehaald voor de operatie. De koffie en thee gaat aan mijn neus voorbij en zo verstrijkt de tijd. Ineens is het 13:00 uur en komt de zuster aangerend. Ze hadden niet gebeld en ik ben direct aan de beurt. Snel uit de kleren en in de rare soepjurk met een sluiting in de nek die een striem in de hals trekt. We gaan de lange gangen door. Dan trekken ze een jas aan en iedereen draagt een netje op het hoofd. Ik ook. Hoera, ik word steeds mooier en samen lachen we erom. Dan schrikt er iemand wakker. ‘Oh, de oorbellen heeft u nog in’. ‘Waar zal ik die laten’, zeg ik. ‘Trek de muts maar wat verder over de oren’. En zo sjezen ze verder de gangen door. De bocht om en daar zetten ze me in een klein halletje. De overdracht is een feit.

‘Mag ik me even voorstellen, mijn naam is Hans’. ‘Grietje’, zeg ik.

En weer is het een Hans die vragen stelt, me op mijn gemak stelt. Uitlegt wat ze gaan doen en hoe. Dan wil hij weten wat ik doe. ‘Hij voelt een leuk personeelsuitje aankomen. Nee, liever geen blotevoetenpad, maar eten uit de natuur…’. Dat heeft wel zijn voorkeur. Ik krijg uitleg. Hans is aardig en stelt me helemaal op mijn gemak. De Italiaanse cardioloog komt binnen en stelt zich voor. Ik vraag het nog een keertje en geloof het dan wel. Hij zit verstopt achter jas, muts, mondkapje en ik versta hem nu al niet. Hij gaat zijn werk doen, katheteriseren maar met nog een extra onderzoek erbij. Ik droom weg, loop over de heide, de zon gaat onder, de heide kleurt. Dan loop ik in het bos, takken versperren mijn weg…

‘Mevrouw…, nu komt de vloeistof, luistert u mee naar de aanwijzingen, ik heb het uitgelegd, u kunt benauwd worden maar dat zakt ook snel weg’.

Ik krijg het op z’n zachts gezegd ‘Spaans benauwd’. Zo is het. Die mooie dagdroom in het bos werd ruw verstoord door het onderzoek. Hans meldt dat ik nog een zelfde onderzoek krijg, waarop de arts zegt dat het niet meer hoeft. Hij heeft voldoende informatie. Ineens is het voorbij. Alle toeters en bellen weer weg, drukverband om de arm, overstappen op mijn bed en terug naar de afdeling. Hans houdt niet langer de wacht. Tot hij aan mijn bed verschijnt en vertelt wat het onderzoek heeft uitgewezen. ‘Het is echt nodig dat er iets gaat gebeuren. En dan komt het verhaal. Een bypass-operatie voor Grietje.

Ik kijk Hans aan en zeg ‘Wat moet, dat moet’. Ze zijn beide aardig, Hans. Ze geven me moed. Het lijkt een sprookje, maar het is het niet. En als ik zou moeten kiezen, dan kies ik toch voor Gert. Maar vandaag had ik twee keer een Hans aan mijn bed. De tekenen zijn gunstig.

De boodschap kunnen ze niet leuker maken. Ik ook niet, ik wil nog graag een aantal feestjes vieren, genieten van het leven, de leukste dingen doen.

Volgende week, als alles goed gaat word ik volgende week dinsdag geopereerd. En ik voel al jullie steun om mij heen… Want daar kan ik niet zonder.

Als ik het in 1 woord zou zeggen

Daar moest ik vanmorgen toen ik wakker werd aan denken. Lief pakte mijn hand en fluisterde ‘gefeliciteerd’. Over hoe het te zeggen in 1 woord. Gefeliciteerd slaat op 39 jaar getrouwd, dit jaar elkaar 41 jaar kennen en luisteren naar mensen die zeggen ‘de meeste halen het niet’.

Wat is het woord dat past bij een leven wat je zolang samen deelt zonder dat het pijn doet, zonder dat het knelt, dat je elkaar in de waarde laat, dat er ruimte is voor eigen ontwikkeling, ruimte voor een carrière. Dat je samen de schouders onder het gezin zet en samen de keuzes maakt. Maar ook alleen de keuzes kunt maken en je dan toch gesteund voelt.

Wat is het woord als ik het zou weten, wat is dat ene woord dat past bij 39 jaar getrouwd. Als je het uitrekent ben je langer samen dan alleen en langer samen dan ooit met je ouders. Wij hebben dat beide zo beleefd en nog. Soms zegt lief ‘je verdient een lintje dat je het volhoudt’. Maar wat is het dan.  Waarom wordt ‘de meeste halen het niet’ al snel geroepen als je zegt dat je de trouwdag viert. Dat je 39 jaar samen oploopt.

Dat moet wel liefde zijn.

#liefde: betekent diepe acceptatie van en genegenheid voor, welgezindheid tot of toewijding voor een ander of jezelf

Ondersteboven kabouter

Even snel moet ik spullen halen uit het IVN-pand voor de workshop die ik in de middag ga geven. Het is al middag, ik mag wel opschieten. Snel naar boven en de spullen bij elkaar gezocht. Scharen in de keuken, plakband in de la. Buiten knip ik snel wat bloempjes bij elkaar en …. bij de speelnatuur zie ik twee jongens. Ik zie ze bij een boomstam staan die pasgeleden nog mooi rechtop stond. Even denk ik nog dat de grasmaaier dit misschien heeft veroorzaakt maar dan zie ik de grootste jongen eens flink aan de boomstam sjorren. Tot hij mij in het vizier krijgt, dan duikt hij weg.

IMG_1510

Ik heb geen tijd en maak alleen een foto.
Die koppies vergeet ik niet.
Een dag later, ik was die hele boomstam al vergeten, was ik weer bij het IVN pand, spullen halen voor het Junior Ranger kamp. We gooien de aanhanger vol en ineens … ‘heej, de boomstam is weg’.
Tijd voor onderzoek en zo kom ik bij de wilgenhutjes en zie twee kaboutertjes in de wilgenhut staan, daarachter ligt de boomstam…

IMG_1583

Er wordt hard gewerkt hier, maar dan wel totaal anders dan wij voor ogen hebben. En om dan gelijk te zeggen ‘laat het los, niet alles hoeft volgens de plannen’, gaat mij te ver. Ik stuur de foto’s met de kabouters door en krijg te horen dat ze vandaag opgeruimd worden.
En nee, ik weet niet wie dit gedaan heeft maar ik heb wel een vermoeden…

Vandaag ben ik er weer, ik heb mijn Struunhuus dienst en ondertussen ruim ik van alles op en zoek ik nog wat spullen bij elkaar. Dan hoor ik stemmetjes… de jongemannen zijn er weer. Ze spelen, overleggen en kijken met de regelmaat van de klok richting het Struunhuus. Dat is op zich al raar want waarom zijn spelende kinderen zo alert. Ik heb het eens een poosje aangekeken en bedenk dat ik maar eens een babbeltje ga maken. Ze zien me aankomen en gaan beide een andere kant uit. Met een omtrekkende beweging komen ze weer bij elkaar en ze verdwijnen achter het hoge riet. Bij de eerste wilgenhut kom ik tot een verrassende ontdekking.

IMG_1594

De kabouter staat met de kop in de grond. Arme kabouter.
De andere twee zijn weg, opgehaald door iemand van de kinderboerderij. De mooie kabouterpaaltjes zijn gemaakt tijdens NL Doet in maart van dit jaar. Ze waren nog niet helemaal af en moesten nog de grond in. Dat is dus nog maar net een maand geleden gedaan. En de laatsten staan er echt nog geen 14 dagen. Het is triest.
Ik loop door en vind in de verte de jongens en roep ze. Of ze even willen komen, ik heb een vraag. Het duurt even maar ze komen toch. We hebben een gesprek over de spullen in het park. ‘Nou, grote jongens maken weleens een lantaarn kapot’ en ‘ik heb weleens asielzoekers in de wilgenhut zien liggen’, maar de kabouters, ze weten er niks van. Helemaal niks. En die boomstammen die daar rechtop stonden en die daar lagen. ‘Nee, niet gezien.’
Het gesprek gaat verder, ik wil graag hun namen weten en ook weten op welke school ze zitten. Die heb ik dan wel paraat als er weer wat gebeurd. Ik heb goede contacten met de wijkbeheerder en al die mensen die ervoor willen zorgen dat het veilig en fijn is in het park…. natuurlijk probeer ik uit te leggen waarom we deze route tussen de kinderboerderij en het IVN Struunhuus gemaakt hebben. Waarom het zo fijn is als kinderen langs deze route spelen, waarom we het heel jammer vinden als er iets kapot gaat…
‘En nu staat er ook nog een kabouter op de kop, hebben jullie gezien wie dat heeft gedaan?’
‘Nee, maar we kunnen die wel weer goed zetten’, zegt de grootste van dit span.
Daarmee zegt hij toch wel iets….

Ze halen een schep en later brengen ze die weer terug. ‘De kabouter staat weer rechtop’.
‘Dat is fijn’, zeg ik.
‘Waarom moest u onze naam hebben?’
‘Als de politie eens meer wil weten dan kan ik de namen van jullie doorgeven, jullie waren hier iedere keer aan het spelen en misschien heb je wel iets gezien maar ben je het nu vergeten……’

Ik ben benieuwd hoelang de kabouter rechtop blijft staan… heel benieuwd

Zoals het hoort maar niet is

Veertien jaar was ik, nou ja, bijna vijftien jaar. En in die bijna vijftien jaar had ik misschien wel de kans gehad om mijn vader te leren kennen. Wat hem bewoog, waar hij van hield, wat zijn passie was. Maar ik was daar totaal niet bezig. Vaders en moeders in de zestiger jaren waren vader en moeder. Zij wisten het, zij bepaalden de regels. En zo ging het. Op de boerderij waar ik opgroeide was er nog een andere regel. Die van de natuur. Want op een boerderij opgroeien was iets anders dan in een rijtjeshuis wonen. Het leven op een boerderij in de zestiger jaren was leven met de natuur. Als de zon schijnt en het blijft langer droog kun je zaaien, maaien, oogsten. Als het onweert sta je met de slaap in de ogen en de kleren aan te wachten tot het voorbij is. Als er kalfjes werden geboren, een kip werd geslacht, als er nieuwe kuikens kwamen, als de bonen rijp waren of de koeien moesten gemolken, het land bewerkt, het hooi gedroogd en in pakjes werd opgestapeld. Het leven op een boerderij gaf ruimte en als kind….. groeide ik daar op.

Als ik eraan terug denk dan ben ik in een mooie omgeving opgegroeid. Op een plek met ruimte om te spelen, te dromen en te werken. Want meewerken deed ik ook. Mee naar het land om de koeien te melken, de beesten voeren, de eieren rapen. De boerderij kan ik in gedachten zo neerzetten. De poppetjes erin passen. Mijn moeder die altijd bezig was. Mijn vader die altijd bezig was. ……
Tot ik veertien jaar was, bijna vijftien. Toen liep het leven anders.
De jaren daarna, zonder vader, zonder boerderij maar in een rijtjeshuis, zonder de vertrouwde natuur, zonder dat het leven bepaald werd door de dieren op de boerderij. We moesten allemaal wennen aan de nieuwe situatie. Een leven zonder vader. Die eerste jaren was ik bezig met overleven. Op een totaal andere manier dan mijn moeder deed. Waar een man gemist wordt als echtgenoot, als maatje voor het leven, als liefste van de wereld, is totaal anders als waar een vader gemist wordt, als steun en toeverlaat, als vertrouwde schouder. En als meisje in de puberteit was dit echt niet de gemakkelijkste periode. Verdriet in de jaren zestig is anders dan het verdriet in de tijd waarin we nu leven. Het is ook deels een mentaliteit. Niet piepen maar doorgaan, verdrietig zijn doe je maar als je alleen bent. En als er één verdrietig is in die zelfde omgeving wordt het toch snel weggewuifd. Het hoort er niet bij. Nu, achteraf heb ik regelmatig het gevoel dat er onvoldoende gerouwd is door ons. Als kind. Als meisje in de puberteit. Altijd maar gaan en niet luisteren naar dat gevoel maakt toch wel dat ik anders ben geworden. Dat ik een ander meisje werd nadat mijn vader overleed. Zorgzaam, ja, dat ook. Gevoelig voor stemmingen, ja, dat ook. mondiger, ja, dat ook. Overleven doe je op heel veel manieren. Gevoelig voor de zorgen van mijn moeder en ook bezig om het zo aangenaam mogelijk te maken. Het maakte wie ik nu ben. Al moest ik heel wat jaartjes door de diepste gevoelens heen.
En ieder jaar daarna is er een vaderdag. Soort van immuun ben ik er voor. Met de komst van onze kinderen kwam vaderdag weer binnen en nu ze groter zijn is het weer anders. Natuurlijk moet het 365 dagen per jaar alles zijn. Vader, moeder, kind, broer, zus… al die bijzondere dagen waarbij je heel even stil staat. Omdat het toch bijzonder is dat ze er zijn. Moeder, vader, broer, zus…
Pas als je iemand mist wordt het schrijnend duidelijk. Want het gevoel, het laat je nooit in de steek. En immuniteit is ook maar een masker. Een muur van zelfbehoud. Als je veertien bent, bijna vijftien, dan is het verliezen van een vader iets wat door de loop van de jaren een plek krijgt en wat zo af en toe eens binnenkomt. Op een moment waarop je denkt ‘daar kan ik nu wel mee omgaan’. Maar dat is niet zo.

Vandaag werd ik geraakt……..

1955

Het fotomoment!

Waarom is het schaap zo belangrijk voor de heide?
Dat is de vraag en dan is er nog een verschil in vroeger en nu. In het kort gaat het daar over. Over het Drentse heideschaap. Op de maandagochtend stonden de schapen dichtbij en konden we ze goed bekijken, ook wel belangrijk. Hoe zien ze eruit, wat eten ze… Er is zoveel te vertellen. En dat doe ik dan.
Vanmorgen waren de schapen behoorlijk ver weg en liet ik dus een plek zien waar de schapen hebben gegraasd.
Ik laat ze van alles zien, ontdekken (foto’s, maar ook in het veld), voelen (wol), proeven (roggebrood) en dan is er natuurlijk ook een fotomoment.
Nou nee, alhoewel, de verleiding is groot. Want er zijn groepjes kinderen die het heel erg leuk vinden om de hoorn te passen.
‘Wie maakt er een foto?’

HipstamaticPhoto-487161601.876323

Meestal maken ze die zelf maar vanmorgen was er een stelletje ijdeltuiten die op de foto wilde! Met de hoorn of met een korenaar in het haar. Ze hadden hun moment. Dat moment was veel belangrijker dan de hele uitleg om het schaap. Dat was niet boeiend.

‘Oh, lammetjes, zo lief… zo zacht’.
Dat dus.
‘POEP’
‘Bah’
‘Wat ze eten?’
‘Ik denk wel mieren en zo’.

Nou, ik kan je vertellen dat ik daar behoorlijk melig van werd…

En zij ook!
Dus, het werd een fotomoment en daarna ging ik ze overhoren.

Spontane huilbui?

Als ik op de fiets zit, trappend richting wat dan ook, dan gaan mijn ogen ongemerkt naar de bermen. Eigenlijk is het zo dat ik als ik op de fiets zit ik altijd de mooiste bermen op zoek. Van A naar B moet je natuurlijk wel op de leukste manier doen. In onze straat is geen berm. Wel een straatbloempje. Die heeft de ‘onkruidverbrander’ weer overleefd deze keer.
IMG_0596

Maar de bermen, ontluikend groen, fluitenkruid, paardenbloemen, look zonder look, prachtige grassen, zuring, hier en daar wat luzerne of een verdwaalde ‘huh’, bierfles. Ik stap af. ‘Glas, denk ik, glas kan kapot’. Dat is niet fijn. Splinters tussen het maaisel, je moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als een dier dit gaat eten. Ik fiets verder, er rammelt een fles in mijn mand. Even verder ligt een pakje zakdoeken in het groen. Hoe gemakkelijk je zoiets verliest, daar zit geen kwade gedachte achter. Ik snap het ook wel, je schiet vol van de pracht en praal in de natuur of krijgt spontaan een niesbui. Hoe dan ook, je zoekt de zakdoeken, snottert er eentje vol, stopt ze in je jaszak en als je dat nog een keertje doet verlies je het pakje zakdoeken. Zo gemakkelijk gaat dat. Ik hoop wel dat je dan hebt genoten van de mooie bloemen in de berm. Dat pakje zakdoeken gooi ik wel in mijn mand. Dan rammelt de fles iets minder.
Verder gaat de tocht, linksaf. ‘Oh mooi, zeg ik bijna hardop, de margrieten bloeien al’. Gele lis aan de waterkant en overal koekoeksbloemen. Geel, paars, wit, groen en hier en daar een ander kleurtje. Een feestje in de berm.
Doorfietsen maar.
En afstappen.
Blikjes en lege plasticflesjes in de berm. Achteloos weggegooid zonder na te denken over wat er dan kan gebeuren. Dat het lange gras gemaaid gaat worden, dat de flesjes als kleine snippers en blikjes als scheermesjes terecht komen in de natuur, dat het daarmee in onze voedselketen terecht komt, dat je de generatie na ons daarmee opzadelt. Dat je het zo achteloos achterlaat omdat het gewoon teveel moeite kost om het of in de afvalbak te gooien of mee te nemen naar huis. Moeder natuur kan dit niet oplossen. Er is geen oplossing voor plastic in de natuur. Je krijgt het hoe dan ook terug. In het drinkwater, in de voedselketen, in je lijf. Achteloos van je af gooien is niet stoer als je dat soms denkt. Achteloos weggooien van afval in de natuur, sigarettenpeuken, kauwgom, plastics, blikjes, koekverpakkingen, ballonnen, flesjes, blikjes, doppen….. het verdwijnt bijna tussen het lange gras wat al snel zo hoog is dat het alles voor het oog laat verdwijnen….

Zwerfafval wat ik tegenkom in de natuur raap ik op, want zwerfafval achtervolgt je langer dan je lief is!

‘Wat kinderachtig’

We zijn begonnen aan de natuurles over het Drentse Heideschaap als er een man kordaat op mij afstapt. Hij is behangen met verrekijker en fototoestel en zijn gezicht staat op matige storm. ‘Mevrouw, de mannen daar, hij wijst achteruit en ik zie een lachende Matthijs staan, zeiden dat u me kunt helpen. Mag ik iets vragen!’
‘Ja, natuurlijk’
De kinderen die ik op dat moment onder mijn hoede heb staan naast me en luisteren mee.
‘Mag ik van u de plek waar de kraanvogels nu zijn’
Ik frons mijn wenkbrauw. Ik had iets anders verwacht, een vraag over een route of een plantje wat gespot is. Maar nee, deze meneer wil naar de kraanvogel.’
Eerst maak ik nog een grapje en wijs hem naar binnen want daar staat een kraanvogel te pronken. Een uitleenkraanvogel van Naturalis.
De man is niet gediend van mijn grapjes en vraagt het nog een keertje.
Dan vertel ik hem dat we daar niets over kunnen zeggen. Dat is een afspraak.
Hij sist mij toe dat hij speciaal uit Utrecht is gekomen om de kraanvogel te zien en dat ik hem niet af moet schepen met zoiets.
Ik frons mijn wenkbrauw nog meer.
Dan zeg ik tegen hem dat hij het dan maar binnen moet proberen. Misschien zeggen ze dan iets meer.
‘Dus u gaat het mij niet vertellen?’
‘Nee’.
‘Wat kinderachtig’ sist de man mij toe en loopt boos weg. Waarop de kinderen om mij heen roepen, ‘Maar wij zijn ook kinderen meneer.’
Hij moet de fiets afsluiten, zet die voor de ingang neer en loopt naar binnen.
Daar krijgt hij te horen dat de kraanvogels bij de Davidsplassen zitten. Dat is twee lang, twee breed en daar kun je alleen maar omheen.
Ik hoop dat de kraanvogel vandaag een blokje om is gegaan. Zulke dwingende meneren uit Utrecht die mij kinderachtig vinden kunnen beter thuis blijven!