Zoals het hoort maar niet is

Veertien jaar was ik, nou ja, bijna vijftien jaar. En in die bijna vijftien jaar had ik misschien wel de kans gehad om mijn vader te leren kennen. Wat hem bewoog, waar hij van hield, wat zijn passie was. Maar ik was daar totaal niet bezig. Vaders en moeders in de zestiger jaren waren vader en moeder. Zij wisten het, zij bepaalden de regels. En zo ging het. Op de boerderij waar ik opgroeide was er nog een andere regel. Die van de natuur. Want op een boerderij opgroeien was iets anders dan in een rijtjeshuis wonen. Het leven op een boerderij in de zestiger jaren was leven met de natuur. Als de zon schijnt en het blijft langer droog kun je zaaien, maaien, oogsten. Als het onweert sta je met de slaap in de ogen en de kleren aan te wachten tot het voorbij is. Als er kalfjes werden geboren, een kip werd geslacht, als er nieuwe kuikens kwamen, als de bonen rijp waren of de koeien moesten gemolken, het land bewerkt, het hooi gedroogd en in pakjes werd opgestapeld. Het leven op een boerderij gaf ruimte en als kind….. groeide ik daar op.

Als ik eraan terug denk dan ben ik in een mooie omgeving opgegroeid. Op een plek met ruimte om te spelen, te dromen en te werken. Want meewerken deed ik ook. Mee naar het land om de koeien te melken, de beesten voeren, de eieren rapen. De boerderij kan ik in gedachten zo neerzetten. De poppetjes erin passen. Mijn moeder die altijd bezig was. Mijn vader die altijd bezig was. ……
Tot ik veertien jaar was, bijna vijftien. Toen liep het leven anders.
De jaren daarna, zonder vader, zonder boerderij maar in een rijtjeshuis, zonder de vertrouwde natuur, zonder dat het leven bepaald werd door de dieren op de boerderij. We moesten allemaal wennen aan de nieuwe situatie. Een leven zonder vader. Die eerste jaren was ik bezig met overleven. Op een totaal andere manier dan mijn moeder deed. Waar een man gemist wordt als echtgenoot, als maatje voor het leven, als liefste van de wereld, is totaal anders als waar een vader gemist wordt, als steun en toeverlaat, als vertrouwde schouder. En als meisje in de puberteit was dit echt niet de gemakkelijkste periode. Verdriet in de jaren zestig is anders dan het verdriet in de tijd waarin we nu leven. Het is ook deels een mentaliteit. Niet piepen maar doorgaan, verdrietig zijn doe je maar als je alleen bent. En als er één verdrietig is in die zelfde omgeving wordt het toch snel weggewuifd. Het hoort er niet bij. Nu, achteraf heb ik regelmatig het gevoel dat er onvoldoende gerouwd is door ons. Als kind. Als meisje in de puberteit. Altijd maar gaan en niet luisteren naar dat gevoel maakt toch wel dat ik anders ben geworden. Dat ik een ander meisje werd nadat mijn vader overleed. Zorgzaam, ja, dat ook. Gevoelig voor stemmingen, ja, dat ook. mondiger, ja, dat ook. Overleven doe je op heel veel manieren. Gevoelig voor de zorgen van mijn moeder en ook bezig om het zo aangenaam mogelijk te maken. Het maakte wie ik nu ben. Al moest ik heel wat jaartjes door de diepste gevoelens heen.
En ieder jaar daarna is er een vaderdag. Soort van immuun ben ik er voor. Met de komst van onze kinderen kwam vaderdag weer binnen en nu ze groter zijn is het weer anders. Natuurlijk moet het 365 dagen per jaar alles zijn. Vader, moeder, kind, broer, zus… al die bijzondere dagen waarbij je heel even stil staat. Omdat het toch bijzonder is dat ze er zijn. Moeder, vader, broer, zus…
Pas als je iemand mist wordt het schrijnend duidelijk. Want het gevoel, het laat je nooit in de steek. En immuniteit is ook maar een masker. Een muur van zelfbehoud. Als je veertien bent, bijna vijftien, dan is het verliezen van een vader iets wat door de loop van de jaren een plek krijgt en wat zo af en toe eens binnenkomt. Op een moment waarop je denkt ‘daar kan ik nu wel mee omgaan’. Maar dat is niet zo.

Vandaag werd ik geraakt……..

1955

Eén gedachte over “Zoals het hoort maar niet is”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *