Verhalen, metaforen, columns, hersenspinsels, ideeën, klinkt als muziek in de oren, leest lekker weg................

Rotsblok

 

Daar lag een rotsblok.
Midden op de straatweg.
Op de zondagmiddag.
In die smalle Parijse straat.
De Dikke Man zag het duidelijk. Net als de taxichauffeur, die kordaat zijn voertuig verliet.
'Van wie is dit rotsblok?' schreeuwde De Taxichauffeur tegen de Dikke Man.
'Van mij', klonk het achter De Dikke Man.
De Dikke Man keek om en zag een klein kereltje staan.
'En wat doet dat rotsblok van u hier midden op de straat?' snauwde De Taxichauffeur.
'Dit rotsblok,' expliceerde Het Kleine Kereltje, 'is kunst. Ik ben namelijk kunstenaar, monsieur. En dit rotsblok maakt deel uit van een expositie, die ik van plan ben morgenavond om zeven uur te openen in de gindse galerie.'
Hij wees met een priemend vingertje in de richting van het desbetreffende pand, niet ver van deze plek des onheils gelegen.
'Maar het kunstwerk in kwestie', ging Het Kleine Kereltje onverdroten voort, 'is tijdens het transport van mijn karretje gevallen. En nu ligt het hier.'
'En wie, behalve u, zegt mij dat dit rotsblok inderdaad kunst is?' informeerde De Taxichauffeur, diep wantrouwend.
'Ik monsieur', baste een grote vent, die zich bij het gezelschap voegde.
'En vanuit welk gezag?' vroeg De Taxichauffeur.
'Ik ben de eigenaar van deze kunstenaar zijn galerie,' zei De Grote Vent.
'Hij is mijn weldoener,' sprak Het Kleine Ventje, zeer bewogen. 'Want het is  voor een artiest vandaag de dag niet makkelijk om zijn spullen den volke te vertonen.'
'zo is het,' verklaarde  De Grote Vent.
'Vind je 't gek,' zei De Taxichauffeur, met een snelle blik op het rotsblok.
'Het is inderdaad verschrikkelijk,' verklaarde De Grote Vent. 'Vorig jaar nog grossierde deze kunstenaar in grind. Een paar maanden later leek hij zijn artistieke bestemming gevonden te hebben in grote bakken modder. En nu zijn het dan rotsblokken geworden. Ik word er totaal gek van.'
'Het Kleine Ventje boog zijn hoofd.
'Waar gaat dat naar toe, Charles?' vroeg De Grote Vent.
'Het is groter dan ikzelf, Jean-Jacques,' fluisterde Het Kleine Ventje.' Ik word 's nachts wakker en dan krijg ik die influisteringen. Ik schrik er wel eens van. "Maar het vervóer!" schreeuw ik dan tegen mijn Muze. "Waarom stoort u zich nu weer aan dát soort zaken?" Maar dan is mijn Muze alweer vertrokken, En wie ben ik om ongehoorzaam te zijn aan De Hogere Machten?'
De Taxichauffeur keek peinzend voor zich uit.
De Grote Vent tuurde naar de grond.
'Ik kan wel janken,' zei Het Kleine Ventje.
'Kop op,' fluisterde De Grote Vent.
'Ach ja - u moet her zich niet zo aantrekken,' heesde De Taxichauffeur
En De Dikke Man zei niets.
'Bij naderen beschouwing heeft dit rotsblok toch wel iets van een kunstwerk,' mompelde De Taxichauffeur.  'Zeker nu u mijn iets van uw kunstzinnige achtergrond het ontsluierd.'
'En ik blijf toch achter je staan,' fermde De Grote Vent.
'Ook al plemp je de volgende keer mijn tentoonstellingsruimte vol met eikenbomen.. Ik ga met je door - tot het bittere eind.'
Met bedauwde ogen keek Het Kleine Ventje op.
'Heren,' sprak hij. 'Mag ik u uitnodigen om in de dichtstbijzijnde gelegenheid met mij het glas te heffen op het rotsblok, dat ons zo nader tot elkaar heeft gebracht?'
De drie mannen slenterden gebroederlijk het straatje uit
En De Dikke Man nam eenzaam plaats op het rotsblok.
 
Art
poor
art
 
Dichtte hij

 

Ischa Meijer

Luister……



Lang geleden was de wereld helemaal grijs. Er was geen enkele kleur te bekennen. Het was de tijd van het Grote Grijs. Er woonde een tovenaar op aarde. Telkens als hij naar buiten keek dacht hij. Wat is het hier toch saai! Dan ging hij zijn donkergrijze kelder in. Daar stonden potjes en brouwsels. Hij rommelde en roerde en probeerde…. Op een dag deed hij een ontdekking.
'Wat heb je daar?' vroegen de mensen toen ze de tovenaar ineens het dak van zijn huis zagen verven. 'Een kleur', zei de tovenaar. 'Dit is een nou een kleur. Laten we het blauw noemen.' 
'Mogen wij ook een beetje', vroegen de mensen.
'Neem maar wat u nodig hebt', zei de tovenaar.

Maar het blauw bleef niet mooi.
'We worden er zo ongelukkig van,' klaagden de mensen, 'al dat blauw'.
Er moet wat gebeuren, dacht de tovenaar. Hij zocht in zijn kelder naar een paar potjes die hij nog niet had gebruikt. En hij brouwde en roerde en probeerde…. Totdat hij ineens iets nieuws zag. Toen hij zijn hekje aan het verven was, kwamen de mensen. 
'Dit is wat we nodig hebben!' riepen ze. 'Mogen wij er ook wat van?'
En zo kwam de tijd van het Grote Geel.

Maar het Grote Geel bleef niet zo vrolijk. Mensen kregen er hoofdpijn van. En de tovenaar vond het zelf ook niet zo mooi meer. Er moet wat gebeuren dacht hij. En hij brouwde en roerde net zolang totdat hij iets nieuws zag. Kijk, wat een warme kleur!
Toen hij de bloemen in zijn tuin aan het verven was, kwamen de mensen.
'Wat heb je daar?'
'Dit is rood', zei de tovenaar.
En zo kwam de tijd van het Grote Rood.

Maar het Grote Rood bleef niet zo geweldig. Iedereen werd een beetje chagrijnig. En de tovenaar besloot zijn donkerrode kelder in te gaan. Hij brouwde en roerde en probeerde…..
Maar hij kon niets nieuws meer maken. Het werd alleen maar meer van het zelfde, meer rood, meer geel, meer blauw. Wanhopig ging hij op de trap zitten. Toen stootte hij tegen een blauwe pot, die omviel tegen de een gele. En alle potten die daarnaast stonden vielen ook om. Alles liep door elkaar. Ineens zag de tovenaar wat er gebeurde. Nieuwe kleuren! Hij pakte nieuwe potjes. Hij deed blauw en geel bij elkaar. Het werd een nieuwe kleur: Groen

Hij deed rood en blauw bij elkaar.
Het werd een nieuwe kleur: 
Paars

Hij deed rood en geel bij elkaar.
Het werd een nieuwe kleur:
Oranje

'Kom kijken', riep de tovenaar toen hij alles buiten had gezet. 'Ik heb paars, groen, oranje, blauw, geel en rood.'
'Prachtig riepen de mensen. 'We kunnen gewoon niet kiezen.'
'Neem ze allemaal', zei de tovenaar.

En zo gebeurde het. De mensen namen alle kleuren mee. En als het goed is, maken ze er nog steeds gebruik van, van alle kleuren. Ieder op haar eigen manier. Zodat de wereld nooit meer wordt zoals in het begin, leeg en donker, grauw en grijs, maar straalt in al haar kleurenpracht én eeuwig in beweging blijft!

Metafoor

Het verhaal speelt zich af in een warm land, iets verder weg van hier. Laten we zeggen: Zuid Frankrijk. Een zonnebloemveld, waar de zon hoog aan de hemel brandt en in dat zonnebloemveld staan allemaal zonnebloemen. Maar het kenmerkende daarvan: midden in het veld zitten vijf zonnebloemen. Dit was een bijzonder groepje, ze hadden zelfs iets samenzweerderigs, het was een bijzonder groepje, zei ik al.
In het midden van dat groepje zat een hele grote, naar later bleek, vertelzonnebloem en daaromheen zaten de andere zonnebloemen. Maar terwijl alle zonnebloemen hun gezicht richtten naar de straling van de zon, had dit groepje zonnebloemen hun kopje gericht naar die ene bloem daar in het midden en ze luisterden naar die ene grote vertelzonnebloem die vertelde van loslaten. Want zoals je weet, laten zonnebloemen hun bladeren en zaden vallen. Acht verwachtingsvolle ogen keken de grote vertelzonnebloem aan.
Tot zij tegenstrijdigheden merkten. Wat bedoel je toch? De vier bestookten haar met vragen en gretig werden haar de woorden ontfutseld. De vertelzonnebloem herhaalde haar woorden: ik weet dat ik de zaden die ik bij mijn draag moet loslaten, maar ik kan het niet. Ik weet dat ik ruimte voor iets nieuws heb en kan krijgen, maar ik voel ook de angst voor de leegte. De stelen van de andere zonnebloemen kromden zich en met scheven hoofden keken zij toe hoe de grote vertelzonnebloem worstelde om toch wat van haar zaden te durven loslaten.
Zij konden het niet langer aanzien. Eén zonnebloem liet haar kopje hangen, sterker nog, een ander ging er bij liggen. Voor de grote vertelzonnebloem was dat genoeg. Zij greep resoluut in en zei: nu moeten jullie het zelf maar uitzoeken.
Het werd even stil. Iedere zonnebloem had namelijk een opdracht gekregen. De vier kleine zonnebloemen draaiden op hun plaats om de opdracht uit te voeren. Het was moeilijk, maar zij zouden ieder voor zich tot een mooie oplossing komen. Zij wisten dat zij mooie verhalen zouden hebben en een paar dagen later toen de maan hoog aan de hemel stond, besloten zij bij elkaar te komen zodat ieder haar verhaal kon vertellen.
De maan gaf een mooie gloed over het groepje van vijf en zij kropen dicht bij elkaar. Zij hadden elkaar een hoop te vertellen en de grote zonnebloem luisterde met al haar aandacht, en genoot van de belangstelling. Iedere zonnebloem vertelde haar verhaal op haar eigen boeiende en spannende wijze en op haar eigen humoristische manier. Soms was het even moeilijk, één bloem voelde zich geblokkeerd, maar zij kwam terug met een schitterend verhaal op eigen manier verteld. En de grote vertelzonnebloem kreeg een warm gevoel van binnen en sloot de verhalen van alle vier in haar hart. En als er in de toekomst weer sprake zou zijn van loslaten, dan wist zij dat ze geen angst meer behoefde te hebben. Zij voelde dat ze dit aankon, zij wist dat er ruimte was om mooie dingen, nieuwe dingen toe te laten!

Voor de rechter

In een stad wonen twee kooplieden, Jakob die een kruidenwinkel heeft, en Jozef zijn buurman die olijfolie verkoopt. Jarenlang verdienden ze ongeveer evenveel, maar de laatste tijd zijn er veel minder klanten bij Jakob. Zijn winkel is vaak leeg en hij wordt jaloers op Josef. Op een avond, als hij zijn winkel afsluit en  het licht uitdoet ziet hij een kier in de muur waardoor licht komt vanuit de winkel van zijn buurman. Jakob  kijkt door de spleet en ziet dat Jozef zijn geld telt.  Zachtjes telt Jakob met hem mee. Honderd zilverstukken telt Jozef. Ik wil dat geld hebben denkt Jakob en even later rent hij de straat op. ‘Help, help. Ik ben bestolen!’ roept hij. De mensen op straat  vragen wie hem bestolen heeft en wat hij kwijt is.  ‘Honderd zilverstukken ben ik kwijt en ik denk dat mijn buurman ze heeft gestolen’. De politie gaat naar de winkel van Jozef en vindt de munten. Jozef wordt gevangen genomen en moet voor de rechter verschijnen. Als beide mannen hun verhaal aan de rechter hebben verteld, weet de rechter niet wat hij moet doen. Hij zegt dat hij de volgende dag uitspraak zal doen……. 

Op weg naar huis loopt de rechter langs een plein waarop kinderen spelen. Het lijkt wel een toneelstuk. De rechter blijft staan en ziet tot zijn verbazing dat ze de rechtszaak van die morgen naspelen. Een jongen is de rechter, twee anderen spelen Jozef en Jakob die ruzie maken over het geld. ‘Stop daarmee,’ zegt de rechter dan. ‘Breng mij een kom water.’ Eén van de kinderen doet of hij een kom aan de rechter geeft. ‘Ik doe de munten in de kom, dan weten we van wie ze zijn. Als er een olielaagje op het water komt zijn de munten van de olieverkoper, want hij heeft altijd olie aan zijn vingers’. De rechter is verbaasd over de slimheid van de jonge rechter. De volgende dag doet de rechter precies wat de kinderen deden. Er drijft een laagje olie op het water. De rechter geeft de munten daarom terug aan Jozef en straft Jakob voor zijn bedrog. Als het publiek in de rechtszaal begint te fluisteren roept de rechter de jongen naar voren. ‘Deze jongen heeft mij de oplossing gegeven voor dit lastige probleem. Hij is eigenlijk de wijze rechter’. Toen de jongen volwassen was werd hij een bekende rechter.

 

(een Joods verhaal)

 

Feodalisme: Je hebt twee koeien. Je heer neemt een beetje van je melk.
Socialisme: Je hebt twee koeien. De staat neemt er een van en geeft die aan iemand anders.
Communisme: Je hebt twee koeien. De staat neemt ze allebei en geeft je zoveel melk als je nodig hebt
Bureaucratisch communisme: Je hebt twee koeien. De staat neemt ze allebei en
geeft je net zoveel melk als dat de regels zeggen dat je nodig zou moeten hebben.
Bureaucratie: Je hebt twee koeien. De staat legt je op wat je ze moet voeren en wanneer je ze moet melken. Daarna wordt je betaald om ze niet te melken. Daarna nemen ze je beide koeien af, schieten er een dood, melken de ander en laten de melk weglopen in het riool. Daarna moet je een aantal formulieren invullen betreffende de verdwijning van je koeien.
Fascisme: Je hebt twee koeien. De staat neemt ze allebei en verkoopt jou de melk.
Nazisme: Je hebt twee koeien. De staat neemt ze allebei en schiet jou dood.

Anarchisme: Je hebt twee koeien. Je verkoopt je eigen melk op een gemeenschappelijke markt tegen een redelijke prijs. De buren stelen ongestraft je koeien.
Liberalisme: Je hebt twee koeien. De staat geeft er niet om of je bestaat en laat je koeien met rust.
Kapitalisme: Je hebt twee koeien. Je verkoopt er een en koopt een stier.

 

 

 

Vrouw


Een kleine jongen vroeg aan zijn moeder
'Waarom huil je?'
'Omdat ik een vrouw ben', antwoordde ze hem
'Ik begrijp het niet', zei hij
Zijn moeder knuffelde hem en zei: 'En dat zul je ook nooit'
Later vroeg de kleine jongen aan zijn vader: 'Waarom lijkt moeder te huilen om niets?'
'Alle vrouwen huilen om niets', was alles wat zijn vader kon zeggen
De kleine jongen groeide op en werd een man. Hij vroeg zich nog steeds af waarom vrouwen huilen. Uiteindelijk wilde hij het aan God vragen, 'God, waarom huilen vrouwen zo gauw?'

God zei:

'Toen Ik de vrouw maakte moest zij bijzonder zijn. Ik maakte haar schouders sterk genoeg om het gewicht van de wereld te dragen, en toch zacht genoeg om troost te bieden. Ik gaf haar een innerlijke kracht om de geboorte van kinderen aan te kunnen, en de afwijzing die zij vaak van haar kinderen krijgt. Ik gaf haar een hardheid die haar in staat stelt om door te gaan wanneer anderen opgeven, en voor haar gezin te zorgen door ziekte en vermoeidheid zonder klagen. Ik gaf haar de sensitiviteit om haar kinderen lief te hebben onder alle omstandigheden, zelfs wanneer een kind haar heel erg heeft gekwetst. Ik gaf haar de kracht om haar man te helpen in zijn fouten en maakte haar uit zijn rib om zijn hart te beschermen. Ik gaf haar de wijsheid om te weten dat een goede man zijn vrouw nimmer kwetst, maar soms haar krachten en haar besluit om hem altijd bij te staat test. En dan, Ik gaf haar een traan om te vergieten. Dit is exclusief voor haar om te gebruiken wanneer nodig. 

Weet je:

De schoonheid van een vrouw is niet de kleding die zij draagt, het figuur dat zij heeft, of de manier waarop zij haar haren borstelt; de schoonheid van een vrouw kan worden gezien in haar ogen, omdat deze de toegang zijn van haar hart, de plaats waar liefde verblijft...'

 

 

Van de mus met de gebroken poot

Lange tijd geleden woonde er eens in een of ander bergdorp in Japan een goedhartig oud vrouwtje. Op een dag kwam er een mus in haar tuin die een poot gebroken had en zich bitter beklaagde.

Toen de oude vrouw dat bemerkte, kreeg ze medelijden; ze pakte de mus op, zette hem in een mand van bamboe, gaf hem het voer dat mussen graag lusten en verzorgde hem met grote liefde.

In korte tijd heelde ook de wond aan de poot van de mus en kon hij weer vrij in de mand rondfladderen. De oude vrouw verheugde zich daarover en steeds meer begon de mus haar na aan het hart te liggen. Op een dag hupte de mus uit de mand en vloog weg. Omdat hij niet meer terugkeerde, maakte het vrouwtje zich zorgen en probeerde erachter te komen waarheen hij gevlogen was. De volgende dag kwam er een mus onder het afdak zitten en zijn vrolijke stem verheffend begon hij te tjilpen. Het vrouwtje vond dat iets heel bijzonders en opende de deur en zag dat hij pompoenpitten op het erf strooide.

De vrouw raapte alle pitten op en zaaide ze uit op het achterveld. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten uit de grond, waaraan bloesems kwamen. Er groeiden vruchten uit en ze kon ten slotte een groot aantal flinke pompoenen oogsten. De oude was daar erg blij om en op een zonnige plek onder het afdak hing ze ongeveer tien dagen lang al deze grote pompoenen op.

Na deze tijd kwam er uit de eerste pompoen, korreltje voor korreltje een soort glanzende rijst stromen. Ze raapte een korreltje op en proefde het; het bleek kostelijke glanzende rijst te zijn. Toen ze daarna alle pompoenen eraf haalde en erin keek, zat elk ervan vol rijst. Vol vreugde kookte het moedertje meteen een maaltijd van deze rijst en at ervan; het smaakte goed! Ze deed een deel van de rijst in dozen en deelde die ook rond in de buurt. Ze verheugde er zich over dat dit gerecht iedereen goed smaakte. Hoeveel ze ook van de rijst nam, de voorraad verminderde in het geheel niet en daardoor werd het oude vrouwtje bijzonder welgesteld.

In de buurt woonde echter een hebzuchtige oude vrouw. Toen zij van deze geschiedenis hoorde, werd ze door grote afgunst gegrepen en ze nam zichzelf voor om ook een mus te vangen. Nadat ze er eindelijk een gevangen had, brak ze zijn poot en zette hem in een mand. Omdat ze hem echter in het geheel geen voedsel gaf, leed de mus honger en fladderde moeizaam in de mand rond. Al spoedig haalde de hebzuchtige oude het deksel eraf. Het musje stootte een smartelijke kreet uit en vloog weg. De oude stelde zich al voor hoe de mus haar de volgende dag een of ander geschenk zou brengen.

De volgende dag kwam de mus op de vensterbank zitten tjilpen. Toen ze haastig de luiken opende, zag ze dat hij pompoenpitten had meegebracht en uitgestrooid. Vol blijdschap daarover zaaide de hebzuchtige oude vrouw, zonder iets over te laten, ze op haar veld uit. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten te voorschijn, er kwamen bloesems aan en vruchten en er rijpten een groot aantal pompoenen aan. Ze plukte ze en hing ze allemaal onder het afdak. "Als er nu maar gauw rijst uitkomt! Als er nu maar gauw rijst uitkomt!" riep ze en keek er elke dag naar, maar het liet zich niet aanzien dat er ooit rijst uit zou komen.

De hebzuchtige oude vrouw werd heel woedend; ze rukte alle pompoenen omlaag en brak de ene na de andere open. Toen kwamen er uit de pompoenen grote slangen, duizendpoten, horzels en hagedissen in grote scharen te voorschijn. Ze grepen de oude vrouw, slingerden zich om haar heen en beten of staken haar; de oude hebzuchtige vrouw kon er helemaal niets tegen doen en stierf ten slotte waanzinnig. Zo wordt er verteld.


 

 

 

Het meisje met de zwavelstokjes

Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, oudejaarsavond.

In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten. Ze had wel pantoffels aangehad toen ze van huis ging, maar dat hielp niet veel: het waren heel grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zo groot waren ze, en het meisje had ze bij het oversteken verloren, toen er twee rijtuigen vreselijk hard voorbijvlogen. De ene pantoffel was niet te vinden en met de andere ging er een jongen vandoor: hij zei dat hij hem als wieg kon gebruiken als hij later kinderen kreeg.

Daar liep dat meisje dus op haar blote voetjes, die rood en blauw zagen van de kou. In een oud schort had ze een heleboel zwavelstokjes en één bosje hield ze in haar hand. Niemand had nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven.

Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers oudejaarsavond en daar dacht ze wel aan.

In een hoekje tussen twee huizen, waarvan het ene een beetje vooruitstak, ging ze in elkaar gedoken zitten. Haar beentjes trok ze onder zich op, maar ze kreeg het nog kouder, en naar huis durfde ze niet, want ze had geen zwavelstokjes verkocht en ook geen stuivertje gekregen. Haar vader zou haar slaan en thuis was het trouwens ook koud. Ze woonden vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste kieren met stro en oude lappen dichtgestopt.

Ze had bijna geen gevoel meer in haar handjes van de kou. O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn! Zou ze er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om haar handen te warmen?

Ze trok er een uit. "Ritsss..." Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een kaarsje, toen ze haar handen eromheen hield.

Een wonderlijk licht gaf het. Het meisje dacht dat ze voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende koperen ballen en een koperen trommel. Het vuur brandde zo heerlijk, het was zo lekker warm.

Maar wat was dat? Het meisje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam uit, de kachel verdween - en zij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in haar hand.

Ze stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die doorzichtig, net als een sluier. Ze keek zo de kamer in, waar de tafel gedekt was met een spierwit tafelkleed, met het fijnste porselein. De gebraden gans, gevuld met pruimen en appeltjes, stond heerlijk te dampen. En wat het aller-heerlijkst was, de gans sprong van de schaal en waggelde met een vork en mes in zijn rug over de grond. Hij kwam recht op het arme meisje af; toen ging het zwavelstokje uit en was alleen de dichte, koude muur er nog.

Ze stak er nog een aan. Toen zat ze onder de mooiste kerstboom, nog groter en nog rijker versierd dan de boom die ze door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, vorig jaar met Kerstmis. Er brandden wel duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, keken haar aan. Het meisje strekte haar beide handen uit - toen ging het zwavelstokje uit, de vele kerstkaarsjes gingen de lucht in en veranderden in sterren, zag ze. Eentje viel er en liet een lange streep van vuur achter aan de hemel. "Nu gaat er iemand dood," zei het meisje. Want haar oude grootmoeder, de enige die lief voor haar was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, gaat er een zieltje naar God."

Ze streek weer een zwavelstokje af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond haar oma, heel duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het meisje. "O, neem me mee! Ik weet dat je weg bent, als het zwavelstokje uitgaat. Weg, net als de warme kachel, de gebraden gans en die prachtige, grote kerstboom."

Haastig streek ze de rest van de zwavelstokjes uit het bosje af, want ze wilde oma vasthouden. De zwavelstokjes gaven zoveel licht dat het klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot uitgezien. Ze nam het kleine meisje op haar arm en ze vlogen, stralend en blij, heel, heel hoog. Er was geen kou, geen honger, geen angst - ze waren bij God.

Maar in het hoekje bij het huis zat in de koude wintermorgen het kleine meisje met de rode wangen, met een glimlach om haar mond - dood, doodgevroren op de laatste avond van het oude jaar.

Het werd Nieuwjaarsochtend en de kleine dode zat daar met haar zwavelstokjes, waarvan een bosje bijna was opgebrand. Ze heeft zich willen warmen, zeiden ze. Niemand wist wat voor moois ze had gezien, hoe stralend ze met oma de vreugde van het nieuwe jaar was ingegaan.

 
Voor Anemoon


Op een dag was het bos jarig.
Daar hadden de dieren zich al lang op verheugd.
"Ja bos", zeiden ze, "dat wordt een groot feest!"
Het bos liet de bomen alvast ruisen en de struiken ritselen van plezier.
"Waar moeten we het eigenlijk vieren?" vroegen de dieren elkaar. Er was niet één plek waar ze het konden vieren, want dan zouden alle andere plekken tekortkomen. Dus vierden ze het in het hele bos.
Ze hingen slingers en lampionnen in alle bomen, ze zetten tientallen taarten van turf en zachte modder neer en ze goten zoete siroop in de rivier, zodat hij rood werd en de wilg zich gulzig over hem heen boog.
Hun cadeau's legden ze overal in het bos neer: nieuw mos, een paar kronkelige beekjes, bosbessen en een reusachtige opvouwbare hoed die het bos kon opzetten bij striemende regen.
"Alsjeblieft, bos. Gefeliciteerd, bos. Van harte, bos", klonk het van alle kanten.
Het bos kraakte van plezier.
Zelfs de kameel was gekomen, en de walvis en de albatros.
Die middag was het bos vol met alle dieren die bestonden. Iedereen danste met een boom en fluisterde iets vrolijks in een struik. De olifant probeerde sierlijk van de top van de ene boom naar de top van de andere boom te springen. Dat lukte hem telkens bijna. De lijster en de merel zongen samen een vrolijk lied en de schildpad liet zijn schild glimmen zoals het nog nooit had geglommen.
Laat in de middag begon het te waaien en kwamen er brieven met gelukwensen van de steppe, van de oceaan, van de bergen en zelfs van de woestijn, die het bos feliciteerde en schreef dat hij binnenkort eens langs zou komen.
"Ik kom wel bij jou, woestijn, ik wilde toch allang eens die kant op", schreef het bos meteen terug.
Het was een mooie dag en het bos schudde zijn kruinen zachtjes heen en weer, ruiste, ritselde, stak hier en daar een tak in een taart, en was gelukkig zoals alleen een bos op zijn verjaardag gelukkig kan zijn.


Uit:"Misschien wisten zij alles" van Toon Tellegen

 

 

Home                                              Lay-out by Gadies.©om