Antoine de Saint Exupéry, De kleine prins (Vertaald vanuit het Frans, Rotterdam 1957)
XXV
En hij voegde er aan toe:
Het is de moeite niet waard ...
De put die we bereikt hadden leek niets op een woestijnput. De putten in de Sahara zijn gewoon in het zand gegraven gaten. Maar deze leek op een dorpsput. Alleen was er nergens een dorp in de buurt en ik dacht dat ik droomde.
Het is vreemd, zei ik tegen het prinsje, alles is in orde: de katrol, de emmer, het touw...
Hij lachte, bevoelde het touw en liet de katrol draaien en liet de katrol draaien. En die piepte als een oude windwijzer wanneer er lang geen wind geweest is.
Hoor je het, zei de kleine prins, wij wekken de put en hij zingt...
Ik wilde niet dat hij zich inspande:
Laat mij het maar doen, zei ik, het is te zwaar voor jou.
Langzaam hees ik de emmer tot aan de putrand en zette hem daar stevig neer. In mijn oren klonk nog het geluid van de katrol en in het trillende water zag ik de zon trillen.
Ik heb trek in dat water, zei de prins, geef me te drinken.Toen begreep ik wat hij gezocht had. Ik bracht de emmer aan zijn lippen. Hij dronk met gesloten ogen. Het was een feest. Dit water was heel wat meer dan voedsel. Het sproot voort uit onze tocht onder de sterren, uit het geluid van de katrol en de inspanning van mijn armen. Dit water deed het hart goed, als een geschenk. Zo deden vroeger, toen ik klein was, het licht van de kerstboom, de muziek van de nachtmis en het zachte glimlachen om mij heen mijn kerstcadeautjes stralen.
Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, zei het prinsje en ze vinden daarin niet wat ze zoeken. Nee, dat vinden ze niet, antwoordde ik. En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos of in een beetje water.
Ja dat is zo, antwoordde ik.
En het prinsje voegde eraan toe:
Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.
Ik had gedronken. Ik ademde vrij. Het zand is in de vroege morgen honingkleurig. Ook die honingkleur stemde me gelukkig. Waarom moest ik dan toch verdriet voelen...
Je moet je belofte houden, zei de kleine prins zachtjes; hij was weer bij me komen zitten.
Welke belofte?
Je weet wel... een muilkorf voor mijn schaap... ik ben verantwoordelijk voor die bloem!
Ik haalde mijn schetsen uit mijn zak. De kleine prins zag ze en zei lachend:
Je apebroodbomen lijken een beetje op groene kool...
Zo !
Ik was nog wel zo trots op die apebroodbomen!
En je vos. Zijn oren lijken wel wat op horens... en ze zijn te lang!
En hij lachte weer.
Je bent onbillijk, klein kereltje, ik heb immers nooit iets anders kunnen tekenen dan open boas en dichte boas.
O, het zal best gaan, zei hij, de kinderen weten wel wat er bedoeld wordt. Ik krabbelde dus een muilkorf en ik voelde me beklemd toen ik hem de tekening gaf:
Je hebt plannen waar ik niet van weet...
Maar hij antwoordde me niet, hij zei:
Weet je, morgen is het een jaar geleden dat ik neerkwam op de aarde...
En na een stilte vervolgde hij:
Hier vlakbij ben ik gevallen...
En hij bloosde.
En weer voelde ik een vreemd verdriet, zonder te weten waarom. Toch kwam er een vraag bij me op:
Was dat dan geen toeval, die ochtend dat ik je tegenkwam acht dagen geleden, dat je daar zo heel alleen rond liep, op duizend mijl afstand van de bewoonde wereld?
De kleine prins kreeg weer een kleur. En ik vervolgde aarzelend:
Misschien... juist na een jaar ?
De kleine prins bloosde weer. Hij antwoordde nooit op vragen, maar als iemand een kleur krijgt, betekent het toch "Ja" niet waar ?
O, zei ik, ik ben bang...
Maar hij antwoordde:
Nu moet je weer aan het werk. Je moet terug naar je machine. Ik wacht hier.
Kom morgenavond terug...
Maar gerust was ik niet. Ik dacht aan de vos. Het kan wel eens op tranen uitlopen als men tam is gemaakt.
De mensen, zei de kleine prins, kruipen in sneltreinen, maar ze weten niet meer wat ze zoeken. Ze maken zich druk en draaien in een cirkel rond.
Meer lezen
